Beertje kiest de weg van het licht

Op een dag treft een goede fee een klein beertje huilend aan in het bos.
“Hé,” zegt de goede fee tegen het kleine beertje, “wat doe jij hier?”
Het beertje kijkt haar snikkend aan en zegt: “Kijk,” terwijl hij naar een emmertje wijst dat hij bij zich heeft, “hier zit mijn hartje in, helemaal stuk. Ik heb alle korreltjes bij elkaar gezocht en dit is nu mijn hart.” En weer begint het beertje hartverscheurend te huilen. “Ik wil zo graag dat mijn hartje weer heel wordt.”

De goede fee vroeg niet waarom het hartje van het beertje stuk was. In plaats daarvan zegt ze: “Kijk ginder eens”, en ze wijst naar een piepklein lichtje in de verte aan de rand van het bos. “Daar kan je jouw hartje weer heel maken.” En weer begint het beertje te huilen.
“Ik kan zo ver niet lopen, ik ben zo moe, ik wil niet, ik kan het niet meer … .”

De goede fee schudt haar hoofd en zegt: “Oké, als jij hier wil blijven liggen in dit bos met je gebroken hart, dan doe je dat maar. Ginder in het licht kun jij je hartje heel maken.”

“Breng jij me er heen?” vraagt het beertje hoopvol aan de fee. Beslist en kordaat weigert de fee en zegt dan op zachte toon tegen het beertje: “Nee, dit kun jij allemaal zelf. Volg het licht. Volg het licht … .” En weg is de fee.
En het beertje is weer alleen, heel boos en verdrietig.

Dagen, weken en maanden later pakt het beertje al zijn overgebleven moed bijeen en gaat op weg. De tocht is moeilijk en zwaar, zo zwaar dat het beertje soms moet kruipen om verder te komen. Huilend van de pijn en boos op de fee kijkt het beertje af en toe in zijn emmertje met de korreltjes van zijn hart. Als hij zo in zijn emmertje kijkt, denkt het beertje aan de woorden van de fee: “Volg het licht, volg het licht, ginder kun jij je hartje heel maken.”

Aan de rand van het bos gekomen, ziet het beertje een mooie poort. Achter de poort is er licht, véél licht.
Bij de poort staat een poortwachter die het beertje streng aankijkt.
“Mag ik binnen?” vraagt het beertje. “De fee zei me dat ik hier in het licht mijn hartje kan heel maken!”
“Waar is jouw hartje dan?” vraagt de poortwachter.
“Hier in mijn emmertje”, en het beertje houdt zijn emmertje met de korreltjes van zijn hart omhoog.

De poortwachter kijkt met een strenge blik naar het emmertje en dan naar het beertje en vraagt: “Ben je zeker dat je dit wilt? Je bent erg ver afgedwaald.”
Het beertje kijkt in zijn emmertje en zegt dan zacht: “Ik wil alleen maar mijn hartje heel maken, het doet zo’n pijn.”
“Oké, kom dan maar binnen, als je het zeker weet.”
Het beertje knikt blij en stapt door de poort. De poortwachter lijkt wel een beetje op de fee uit het bos … .

Het beertje is zo verbaasd van al het licht dat naar hem toekomt dat hij niet eens merkt dat de korreltjes in zijn emmertje beginnen te schitteren.
Hij kijkt naar de prachtige zon die op hem schijnt. En het beertje gaat op weg en merkt al vlug dat de zon met hem meekomt. Als hij kijkt, ziet hij dat de zon altijd rechts van hem schijnt, steeds schuin boven zijn hoofd.
Dit vindt het beertje wel fijn, zo is hij nooit alleen en heeft hij steeds een vriendje.
Er lopen ook andere dieren naast hem op de weg. Hij merkt dat hij niet op de weg van de eend of van de vos kan lopen. Blijkbaar heeft ieder zijn eigen weg, stelt het beertje vast. En toch is het dezelfde weg, denkt hij.

Op een keer komt het beertje aan een grote zware rots en blijft daar staan. Hij ziet dat de andere dieren op de grote weg er dwars doorheen kunnen lopen. Het beertje zet zijn emmertje neer, doet een stapje achteruit en stapt op de rots af. Met een harde bons komt hij tegen de rots aan Hij wrijft over zijn pijnlijke hoofd.
“Hoe kan dat nu?” vraagt hij zich af terwijl de andere dieren er gewoon dwars doorheen gaan. Hij probeert het nog eens, en nog eens. Het lukt het beertje maar niet. Moe en boos van het proberen, gaat hij weer zitten huilen.

Een prachtige Witte Vogel komt aangevlogen en gaat op de rots zitten waartegen het beertje zit te huilen. Na een tijdje vliegt de vogel van de rots en komt naast het beertje zitten.
“Hoe gaat het ermee?” vraagt de vogel aan het beertje.
Snikkend vertelt het beertje aan de vogel wat er is gebeurd.
“Wat denk je dat deze rots voorstelt?” vraagt de Witte Vogel. Het beertje weet het niet.

De Witte Vogel spreekt het beertje zacht toe: “Jij alleen weet wat de rots voor jou betekent. Dit is iets uit jouw verleden dat om een oplossing vraagt, zodat jij je weg kunt vervolgen.”
Het beertje wordt zo kwaad, brult, schopt en schreeuwt dat het niet meer mooi om aan te zien is.
Het beertje valt moe neer. “Ik wil alleen maar mijn hartje heel maken!” snikt hij.
De Witte Vogel wacht tot het beertje uitgeraasd is en zegt dan: “Hoe denk je jouw hart heel te maken als je zo kwaad bent op jezelf. Rust een beetje uit en bekijk dan alles eens opnieuw.”

Een tijdje later staat het beertje opnieuw tegenover de rots. “Als dit mijn woede en kwaadheid is,” denkt hij, “dan is dit wel een enorme pak.” Het beertje vergeeft zichzelf het verleden, trekt zijn broekje recht, pakt zijn emmertje en stapt op de rots af. En ja hoor, het beertje kan zonder probleem door de rots! Als hij achterom kijkt is de rots verdwenen. Boven hem vliegt de Witte Vogel die lachend roept: “Zo zal het altijd zijn, lieve beer! Een rots verdwijnt alleen maar als je het probleem oplost. Weglopen heeft nooit zin. Even stil worden en de oplossing komt vanzelf. Vraag het aan de Gouden Zon, vraag het aan de Gouden Zon … !”

Beertje merkt niet dat er glimmende korreltjes uit zijn emmertje zijn verdwenen.
En zo gaat hij weer op weg. Hij komt grote en kleine rotsen tegen, gaat dan even zitten om uit te rusten, de oplossing komt meestal vanzelf. Soms komt de Witte Vogel of een ander dier op zijn weg met het antwoord, maar vaak weet het beertje diep in zichzelf waar de rots vandaan komt. Als hij om hulp vraagt, ziet hij de zon even lachen. Of is hij het die lacht?
Het beertje leert weer lachen, dansen en zingen; dingen die hij al lang vergeten was. En er is altijd de zon die hem vergezelt. Altijd weer is de zon er en het beertje lijkt meer en meer op die zon. Stralend, dansend en lachend vervolgt het beertje zijn weg.

Op een dag merkt het beertje dat de korreltjes van zijn hart uit zijn emmertje zijn verdwenen. “Waar zijn die nu gebleven?” Hij vraagt het aan de zon en die zegt: “Die zitten in jouw lichaam, bij jouw hartje dat klopt, boven jouw buikje. Nu zijn twee hartjes één.
“Twee hartjes één?” vraagt het beertje verbaast. “Ja” zegt de Gouden Zon “Twee hartjes zijn nu één, een hartje van God en een van jou. Zo wordt je één. Zo ben je één, zo voel je één”. “Wat is één zijn?” vraagt het beertje. “Zoals jij je nu voelt”, lacht de Gouden Zon.

“Wauw, ik wou dat iedereen zich zo voelde. Dit is cool!” zegt het beertje.
“Ah, eens zal dat zo zijn. En jij mag ons daar bij helpen.” gaat zijn vriend verder: “Vanaf nu kun je net als de goede fee zelf op weg gaan om anderen in het grote donkere bos op het licht te wijzen. Ook zal je eens de poortwachter of de Witte Vogel mogen zijn om anderen te helpen hun weg te vinden op de grote weg, de weg naar de zon. En dat terwijl je zelf op weg bent. Je zal vele nieuwe vrienden ontmoeten en met hen leren samenwerken en zo de scheppingskracht die in je zit leren gebruiken. En ik je vriend, de Gouden Zon, zal altijd bij je zijn. Het grootste avontuur wacht op jou. Kom, ga je mee?”

“JA, ik ga mee,” zegt Beertje heel ernstig.

Terug naar de inhoud